Wat zou Jan van Gilse nu gedaan hebben?

En hoe zou onze wereld eruitzien als hij er nooit was geweest?

 Jan van Gilse begon niet met verzet. Hij begon met nadenken. Al vóór de Eerste Wereldoorlog zag hij dat componisten kwetsbaar waren. Hun muziek werd uitgevoerd, maar hun positie was onzeker. Een eerlijke beloning vandaag betekende niet vanzelfsprekend zekerheid morgen. Wie afhankelijk is van macht of politieke gunst, kan die bescherming ook weer verliezen. Zelfs een componist als Richard Strauss ondervond hoe snel inkomen en reputatie konden kantelen wanneer muziek met een regime werd verbonden.

 Daarom werkte Jan van Gilse aan structuur. In 1913 stond hij aan de wieg van Buma, later Buma/Stemra, om het auteursrecht collectief te beschermen. In 1919 volgde Geneco, als belangenvereniging voor componisten. Dat waren geen actiemiddelen, maar instituties. Ze waren bedoeld om makers onafhankelijk te maken, zodat hun werk niet afhankelijk zou zijn van willekeur of macht. Hij begreep dat vrijheid in de kunst niet begint bij inspiratie, maar bij bescherming.

 Toen Nederland in 1940 werd bezet, zagen de Duitsers precies de kracht van dat systeem. Het model van georganiseerde vertegenwoordiging werd overgenomen in de Kultuurkamer, ingevoerd in 1941. Wat bedoeld was om makers te beschermen, kon ook worden gebruikt om hen te registreren en te controleren. Het systeem zelf bleef bestaan, maar de bedoeling veranderde.

 Jan van Gilse zag dat onmiddellijk. Hij begreep dat systemen nooit neutraal zijn. Ze dragen de geest van degene die ze gebruikt. Toen hij werd gevraagd mee te werken — zelfs via bemiddeling van Richard Strauss — weigerde hij. Niet uit heldendom, maar omdat hij wist wat er verloren zou gaan. Als hij zou instemmen, zou het model blijven functioneren, maar de vrijheid waarvoor het was bedoeld verdwijnen.

 Vanaf dat moment werd zijn positie steeds moeilijker. Hij verloor functies, moest onderduiken en werd opgejaagd. Zijn twee zonen, Maarten en Janric van Gilse, kozen voor het verzet en kwamen in 1944 om het leven. Jan van Gilse zelf stierf in september 1944, uitgeput en ziek. Hij werd aanvankelijk in stilte begraven; later kreeg hij zijn rustplaats in Oegstgeest.

 Hij zocht de strijd niet. Hij bleef schrijven. Zijn laatste grote werk nam hij mee van onderduikadres naar onderduikadres. Dat beeld zegt misschien meer dan welk monument ook.

 Dit is geen verhaal over activisme. Het is een verhaal over wijsheid. Over het inzicht dat je altijd een keuze hebt, ook wanneer elke keuze een prijs heeft. Over het besef dat instituties bescherming kunnen bieden, maar ook misbruikt kunnen worden als het geweten ontbreekt.

 Daarom hoort zijn naam verbonden te zijn met wijsheid in de cultuursector. Niet met luid protest, maar met helder denken. Met bestuurders en makers die begrijpen dat vrijheid niet vanzelfsprekend is, maar bewaakt moet worden — juist binnen systemen die ogenschijnlijk goed functioneren.

 De Jan van Gilse Legpenning staat niet voor roem of gelijk. Zij staat voor inzicht, voor verantwoordelijkheid op lange termijn. Zij herinnert eraan dat integriteit geen luxe is, maar een vorm van wijsheid. Zij houdt één vraag levend: wat zou Jan van Gilse nu gedaan hebben?